Hierdoor kwam het kabinet Cals in 1966 ten val
In 1965 trad het kabinet Cals aan onder leiding van premier Jo Cals. Dit was een coalitiekabinet bestaande uit de Partij van de Arbeid (PvdA), de Katholieke Volkspartij (KVP) en de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Het kabinet was een minderheidskabinet, omdat de drie partijen geen meerderheid hadden in de Tweede Kamer. Dit betekende dat er afhankelijkheid was van steun van andere partijen om besluiten te kunnen nemen.
Het kabinet Cals stond voor grote uitdagingen en hervormingen op verschillende terreinen. Zo wilde het kabinet onder andere de medezeggenschap van werknemers versterken, de onderwijssector moderniseren en de economie stimuleren. Echter, al snel na de start van het kabinet ontstonden er grote politieke spanningen.
Eén van de belangrijkste redenen voor het vallen van het kabinet Cals was de zogenoemde Nacht van Schmelzer. Deze gebeurtenis vond plaats op 13 oktober 1966, toen KVP-fractievoorzitter Norbert Schmelzer tijdens een debat in de Tweede Kamer het vertrouwen in het kabinet Cals opzegde. Schmelzer was het niet eens met het beleid van het kabinet, met name op het gebied van het financieel-economisch beleid.
De Nacht van Schmelzer zorgde voor grote politieke onrust en verdeeldheid binnen de coalitie. De KVP, de grootste partij binnen het kabinet, trok zijn steun in en eiste het opstellen van een nieuwe begroting. Omdat het kabinet geen meerderheid meer had in de Tweede Kamer, kon aan deze eis niet worden voldaan. Hierdoor zag premier Cals zich genoodzaakt om op 14 oktober 1966 het ontslag van zijn kabinet aan te bieden aan koningin Juliana.
Na het vallen van het kabinet Cals werd er een informateur aangesteld die moest onderzoeken welke coalitiemogelijkheden er waren. Uiteindelijk werd er een nieuw kabinet gevormd onder leiding van premier Piet de Jong, bestaande uit de KVP, de ARP, de VVD en de Christelijk-Historische Unie (CHU).
Het vallen van het kabinet Cals in 1966 had grote politieke consequenties en markeerde een periode van politieke instabiliteit in Nederland. Het kabinet had te maken met grote verdeeldheid binnen de coalitie en kon daardoor geen meerderheid behalen voor belangrijke besluiten. Dit leidde uiteindelijk tot het aftreden van het kabinet en het vormen van een nieuw kabinet onder leiding van premier De Jong.