In de middeleeuwen, specifiek tussen de 6de en de 9de eeuw, vertegenwoordigde de landsheer de hoogste autoriteit in zowel het bestuur als de rechtspraak. In Holland was dit niet anders.
De landsheer was meestal een vorst of een adellijke heer die het recht had om over een bepaald gebied te regeren. Deze positie werd meestal geërfd, maar soms kwam het ook voor dat iemand door een vorst werd benoemd tot landsheer. In Holland werd de landsheer vaak aangeduid als de graaf.
De landsheer had de controle over het bestuur van het gebied. Hij nam belangrijke beslissingen, stelde wetten op en handhaafde de orde. Hij werd bijgestaan door een raad van edelen. Deze edelen waren belangrijke adellijke personen die vaak ook landbezit hadden in het gebied. Samen met de landsheer vormden zij het bestuurlijke apparaat van Holland.
Naast het bestuur had de landsheer ook zeggenschap over de rechtspraak in het gebied. Hij was verantwoordelijk voor het handhaven van de wetten en het bestraffen van overtredingen. Dit werd vaak gedaan door middel van rechtbanken, waar de landsheer rechters aanstelde om zaken te behandelen. Deze rechters waren meestal edelen of andere belangrijke personen die bekend stonden om hun eerlijkheid en rechtvaardigheid.
Het rechtsysteem in de middeleeuwen was gebaseerd op het feodale systeem, waarin de landsheer de hoogste autoriteit was. Hij oefende deze macht uit door middel van zijn edelen en rechters, die vaak op lokaal niveau actief waren. Zij waren verantwoordelijk voor het oplossen van geschillen tussen inwoners, het bestraffen van criminelen en het handhaven van de orde.
Het belang van de landsheer in het bestuur en de rechtspraak verschilde per gebied en tijdperk. Sommige landsheren hadden meer macht en invloed dan anderen. In Holland had de landsheer over het algemeen veel controle over het bestuur en de rechtspraak, maar dit betekende niet dat zijn macht absoluut was. De landsheer moest vaak rekening houden met andere edelen, steden of andere belangrijke groepen in het gebied.
Al met al was de landsheer in de middeleeuwen de belangrijkste vertegenwoordiger van het gezag in zowel het bestuur als de rechtspraak. In Holland werden zij vaak aangeduid als graven. Zij waren verantwoordelijk voor het nemen van belangrijke beslissingen en het handhaven van de wetten in het gebied. Hun macht werd uitgeoefend via hun edelen en rechters, die lokale zaken behandelden en zorgden voor de handhaving van de orde.